Een cross is natuurlijk heel iets anders dan het springen. Jij kunt de cross van te voren verkennen, je paard ziet ze allemaal voor het eerst op het moment dat ze moeten springen. De belangrijkste voorwaarde om te kunnen crossen is dus ook dat je beide vertrouwen hebt in elkaar. In oefencrossen mag je soms samen met iemand anders de cross rijden, wat voor een paard (en ruiter) soms heel fijn kan zijn. Maar eenmaal officieel op wedstrijd moet je het alleen doen, en bij voorkeur in 1 keer er overheen. Maar wat kun je allemaal tegen komen en hoe ziet het eruit? ik neem je mee op een reis door alle hindernissen!
Steilsprong
Wat is het? Een steilsprong is een simpele hindernis waarbij je niet ver hoeft te springen, maar meer hoog. Een boomstam, een balk, muurtje. Deze zie je heel veel in veel verschillende vormen in alle crossen. Een steilsprong zonder haag/takken/borstels mag nationaal op het hoogste niveau maximaal 1.10m zijn, met haag/takken/borstels mag het tot 1.30m zijn. Op 5* niveau is het 1.20m en 1.45m!






Oxer (een breedte sprong)
Wat is het? Een oxer is een breedte sprong. In het springparcours heb je dan dus in feite 2 steilsprongen direct achter elkaar die zorgen dat je paard vooral verder moet springen, en niet perse hoger. In de cross zijn dat vaak gewoon wat bredere hindernissen. Zeker op hogere niveaus vinden ruiters dat vaak spannend: maar sta er eens bij stil hoeveel meter je al aflegt in een gewone galopsprong. Dat is voor een paard gemiddeld 3,5 – 4 meter. Op. nationaal niveau is de maximale breedte van een sprong 2.10m (bij de voet!) op 5* is de maximale breedte bij de voet 3 meter.






Op- en afsprong
Wat is het? Ja de naam zegt het al. Je kunt er op en afspringen. Als er meerdere tredes zijn dan wordt het ook wel een piano genoemd. Dit is iets wat paarden (en ruiters) in het begin best lastig vinden. Zorg er voor dat je je paard zijn hals laat gebruiken, vooral als je eraf moet. Laat de teugels liever te lang dan te kort, bij te kort trekken ze je uit het zadel. En neem ze altijd mee als je ergens op cross training gaat! Hoe vaker je het oefent hoe makkelijker het wordt. Op nationaal niveau mag een afsprong maximaal 1.60m hoog zijn. Op 4* en 5* niveau mag het maximaal 2.00m zijn.






Greppel / trakehner
Wat is het? Een greppel is eigenlijk gewoon een droge sloot, een breedte sprong zonder hoogte. Ook hier net als bij de afsprongen laat je paard vooral de hals gebruiken en kijken. Pak het altijd mee als je er ergens een ziet tijdens een training en doe het ook vooral in draf zodat ze echt begrijpen wat ze doen en niet op adrenaline gaan alleen op wedstrijd.
Een trakehner is eigenlijk een greppel met een hindernis er boven. Sommige paarden blijven hier altijd op kijken omdat ze vaak pas in de laatste galopsprongen hebben dat er een gat onder zit.
Een greppel mag op internationaal niveau wel 4 meter breed zijn! Op nationaal niveau mag een droge greppel 2.80m breed zijn maximaal, maar een sloot mét water ook 4 meter!






Waterhindernis
Wat is het? In de lagere klasses heb je alleen een waterbak met inloop, dus dan hoef je er alleen maar doorheen. Dat is voor sommige paarden al een grote uitdaging. Naar mate je in hogere klasses komt kunnen er hindernissen staan in de waterbak. Maar dus ook voor of aan het einde van de waterbak. Dat je dus over een hindernis het water in of uit moet. Op nationaal niveau mag het water niet dieper zijn dan 25 cm, op international niveau mag het tot 35 cm.






Smalle hindernissen
Wat is het? In het gewone springen is het vaak heel makkelijk, de hindernis is 3 meter breed en je spring netjes op het midden. In de eventing kom je al vrij snel smallere hindernissen tegen. In de B mogen de smalle hindernissen 2 meter breed zijn, maar in het Z nog maar 1.70m. Op 5* mag het 1.30cm zijn. Het kan soms zijn dat je iets smallere hindernissen tegen komt: dit zijn geen vaste waardes maar richtlijnen waar de parcoursbouwer met goede argumenten van af mag wijken. Probeer dus in je training al vroeg ook smallere hindernissen mee te nemen zodat je paard leert denken “tussen de vlaggen”, dan wordt het later alleen maar makkelijker! Ter referentie een gemiddeld paard incl knieën en benen van de ruiter is ongeveer 80-90 cm breed! Bij een smalletje gaat het erom dat de schouders van het paard (die zijn 60-70 cm breed) tussen de vlaggen blijven. En dit kun je rustig op alle hoogtes oefenen, het helpt al veel als je het gewoon als balkjes op de grond doet (bijvoorbeeld gebroken hindernisbalken) die waar je twee staanders naast zet!






Puntjes
Wat is het? Dan hebben we naast smalletjes nog puntjes: dit zijn in feite driehoeken waar je overheen moet. Door dat het schuin loopt is dat in het begin voor veel paarden gek. In de lagere klasses is de hoek van de punt maximaal 50 graden, maar op Z is het 80 graden! Op de internationale wedstrijden zijn er geen specifieke richtlijnen voor. Je kunt dit thuis goed oefenen door dit met hindernis balken en staanders na te bouwen! Twee balken op 1 staander, en die gaan dan beide naar een andere staander, hoe verder je die twee staanders uit elkaar zet hoe breeder hij wordt en hoe groter de hoek wordt. Dus begin eerst met een kleine hoek. En ook hier weer dit kun je op alle hoogtes oefenen!






Heksenoog
Wat is het? Een heksenoog komt lang niet in iedere wedstrijd voor maar is wel een bijzondere hindernis die ook lang niet overal kan oefenen. Het is een hindernis waar een paard doorheen moet springen. Vaak hebben ze het met takken of een heg gedaan, waar ze doorheen moesten springen. Als je er dus ergens bij een training een ziet: neem hem vooral mee. Voor paarden is dit vaak heel gek!



Combinatiehindernissen
En dan kunnen we nog allerlei combinaties gaan maken. Om lijntjes te maken, om het parcours technischer te maken. Bijvoorbeeld een smalletje na een afsprong: die komt heel snel! Dus moet je snel je teugels op maat hebben. Gelukkig krijg je dat soort snelle combinaties nog niet als je pas net start ;).
Een coffin is een speciale combinatie met meestal een hindernis, daarna een greppel / trakehner, en dan nog een hindernis. Dan heb je nog een sunken road met in ieder geval een afsprong, en dan vlak erna weer een opsprong. Het kan zijn op hogere klasses dat voor de afsprong en na de opsprong ook nog een hindernis staat.
De hoogtes van de verschillende klasses in het crossen
Nu nog even alle hoogtes van de hindernissen bij elkaar!
KNHS Nationale klassen
Maximale afmetingen per klasse – cross country
| Maat | B-intro | B | L | M | Z |
|---|---|---|---|---|---|
| Max hoogte (vast) | 70 cm | 80 cm | 90 cm | 100 cm | 110 cm |
| Max hoogte (hagen/borstels) | 90 cm | 100 cm | 110 cm | 120 cm | 130 cm |
| Breedte op hoogste punt | 80 cm | 90 cm | 110 cm | 120 cm | 140 cm |
| Breedte op basis | 100 cm | 130 cm | 150 cm | 170 cm | 210 cm |
| Open sloot droog | 100 cm | 100 cm | 150 cm | 200 cm | 280 cm |
| Open sloot met water | 125 cm | 125 cm | 200 cm | 300 cm | 400 cm |
| Max afsprong | 100 cm | 100 cm | 120 cm | 140 cm | 160 cm |
| Max diepte water | 25 cm | 25 cm | 25 cm | 25 cm | 25 cm |
Bron: KNHS Wedstrijdreglement Eventing 2026
FEI Internationale klassen
Maximale afmetingen per sterrenklasse – cross country
| Maat | CCI1* | CCI2* | CCI3* | CCI4* | CCI5* |
|---|---|---|---|---|---|
| Max hoogte (vast) | 1,05 m | 1,10 m | 1,15 m | 1,20 m | 1,20 m |
| Max hoogte (hagen/borstels) | 1,25 m | 1,30 m | 1,35 m | 1,40 m | 1,45 m |
| Breedte op hoogste punt | 1,20 m | 1,40 m | 1,60 m | 1,80 m | 2,00 m |
| Breedte op basis | 1,80 m | 2,10 m | 2,40 m | 2,70 m | 3,00 m |
| Max afsprong | 1,40 m | 1,60 m | 1,80 m | 2,00 m | 2,00 m |
| Max diepte water | 35 cm | 35 cm | 35 cm | 35 cm | 35 cm |
Bron: FEI Eventing Rules 2026


